Underground heeft voor- en nadelen. De voordelen zijn bij voorbeeld de onafhankelijkheid en de spontaniteit van het genre. Een nadeel is dat niet elke strip even professioneel in elkaar is gestoken en dat het mogelijk is dat de maker achter een dekmantel van creativiteit en vernieuwing gewoon de nodige vaardigheden mist om een goed verhaal te vertellen of om redelijk tekenwerk af te leveren. Neem nou Gilbert Shelton. Ondanks het feit dat er bekende titels als Those Fabulous Furry Freak Brothers en Fat Freddy?s Cat van zijn hand zijn verschenen, blijkt de man ??n brok onvermogen bij lezing van Not Quite Dead. De tekeningen zien er even onbeholpen uit als het gemiddelde schoolkrantwerk: ze zijn knoeierig en amateuristisch en kenmerken zich bijna altijd door de keuze van het makkelijkste gezichtspunt. De verhalen en grappen in het album zijn niet minder chaotisch en lijken dikwijls al tekenend door Shelton en zijn Franse collega Pic te zijn bedacht, want van een logische lijn of een sterke vertelstijl is geen sprake. Er zijn einden die volledig uit de lucht komen vallen. En de verschillende karakters zijn even leeg als de muziek van Dennie Christian. Het schoolkrantkarakter van de strip wordt versterkt door het onderwerp: een rockband die al bijna twee decennia het clubcircuit afschuimt en vooral uitblinkt in het uiten holle frasen en puberale levenswijsheden. Bij vlagen dreigt een verhaal eventjes leuk te worden als de makers een volslagen idiote slapstick-situatie hebben bedacht, bij voorbeeld wanneer de hele band in een telefooncel probeert te spelen om een platenproducent aan de andere kant van de lijn over te halen om een plaat met hen te maken. Maar deze momenten zijn te schaars om het album lezenswaardig te noemen. Shelton zou er daarom goed aan doen terug naar school te gaan.